directeur

mannelijk (de)/dirɛkˈtør/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) baas van een organisatie
    We moesten eerst goedkeuring aan de directeur vragen.
    Mevrouw Maillard had maar één zoon en ze had veel bewondering voor directeuren. Dus zag ze Albert al als directeur van een bank, en reken maar dat ze meteen enthousiast was en ervan overtuigd was dat hij zich 'met zijn intelligentie' rap naar de top zou opwerken. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    De brieven werden grotendeels geschreven door de directeur van het Skelton, Edmund Reede.
  2. een parmantig persoon
    Mijn neefje was al een echte directeur.

Etymologie

* van "directeur", in de betekenis van ‘hoogste bestuurder’ voor het eerst aangetroffen in 1618

Vertalingen

Engelsdirector, manager
Spaansdirector, gerente