disselboom

mannelijk (de)/dɪsəlboːm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mechanisme om meerdere paarden of andere dieren samen een gespan te laten vormen; door de hefboomwerking kon een jonger dier opgeleerd worden (en kreeg het een langere lastarm)
    Door het combineren van meerdere disselbomen kon een drie- of vierspan gevormd worden (ieder dier kon trekken al naargelang zijn kracht)
    Arme boeren konden een ossenspan vormen; wanneer er niet genoeg ossen meer waren kon ook een koe bijgelegd worden
    Enkel het oudste dier werd gemend; de andere dieren volgden