dobber
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) aan de vislijn bevestigd drijvend voorwerp dat onder water verdwijnt bij het vangen van een visZeven, acht? Koprollen en een voorzichtige radslag. Heel spannend allemaal. En papa keek met een schuin oog toe. Het andere was gericht op de dobber.
Etymologie
* In de betekenis van ‘drijver’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1412
Uitdrukkingen
- Een hele/flinke dobber (aan iets hebben) — Iets wat veel moeite kost om voor elkaar te krijgen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek