doek

onzijdig (het)/duk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel, huishouden (m) (textiel), (huishouden) lap stof, bijvoorbeeld voor het poetsen of stof afnemen
    Pak even een doek om die rommel op te nemen.
    Ik gebruikte de eerste paar weken natte doekjes om me ’s avonds op te frissen en het stof en zweet weg te vegen, maar vond de doekjes al snel te veel onnodig gewicht om met me mee te dragen.
    Otto komt ook binnen en pakt een doek om alle voorjaarslaarzen van Johannes te poetsen, die in een lange rij voor de keukendeur staan.
  2. materiaalkunde (m) of (n) (materiaalkunde) textiel waaruit [1], [3] en [4] vervaardigd worden
    Dit kan van doek vervaardigd worden/.
  3. schilderkunst (n) (schilderkunst) een stuk, meestal opgespannen materiaal waarop men een beeld schildert, ofwel het schilderij zelf
    Er zijn veel manieren om verf op het doek aan te brengen.
  4. toneel (n) (toneel) een stuk materiaal dat als gordijn gebruikt wordt om een toneel aan het zicht van het publiek to onttrekken
    Het doek viel en het applaus barstte los.
  5. filmkunst (n) (filmkunst) een doek om beelden op te projecteren, een projectiescherm
zelfstandig naamwoord
  1. primaten (primaten) benaming voor apen uit het geslacht (behorend tot de meerkatachtigen), die enkel voorkomen in Laos, Vietnam en de Chinese provincie Hainan

Etymologie

*[B] via "douc" van "dộc"

Uitdrukkingen

  • een doekje voor het bloeden
  • een open doekje krijgen
  • er geen doekjes om winden
  • het doek valt voor
  • iets uit de doeken doen
  • op het witte doek
  • van het doek spatten
  • Iets uit de doeken doeniets uitleggen

Vertalingen

Engelscloth, linen, linen
Spaanspaño, trapo, tejido