Doel
onzijdig (het)/dul/
Wat is de betekenis van Doel?
Doel betekent: het punt waarop men zich richt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het punt waarop men zich richt
- (sport) een van de twee gemarkeerde ruimten op een sportveld, een bal die daarin op correcte wijze terechtkomt, levert een doelpunt op voor de tegenstander
Voorbeelden van "Doel" in een zin
- Het doel van deze vergadering was het herzien van het schoolreglement.
- Niet alles hoeft een doel te hebben, hoor, een eindbestemming.
- Ze waren niet op zoek naar de opwinding van het doden, maar alleen naar de kameraadschap die voortvloeide uit het hebben van een gemeenschappelijk doel.
- Het doel op het speelveldje heeft geen net.
Etymologie
* In de betekenis van ‘mikpunt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1579
Uitdrukkingen
- een haalbaar doel — dat kan
- zich iets ten doel stellen — zich iets voornemen
- een bal voor open doel — dat is wel heel makkelijk en voor de hand liggend
- het doel heiligt de middelen — voor een goed doel zijn alle middelen toegestaan (dat is overigens maar zelden het geval vaak heiligt het doel de middelen juist niet)
- je doel voorbij schieten — je voornemen niet halen door te veel te doen
Vertalingen
Engelsgoal, goal
Fransbut
DuitsZiel, Tor
Poolscel, bramka
Zweedsmål
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek