dogma

onzijdig (het)/'dɔɣma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. religie, politiek (religie) (politiek) een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
    Hij hield zich vast aan een dogma.
    Petje af, maar ik heb me altijd bij het inconsequente theater gehouden. Of bij het theater van de twijfel. Dat in principe vrij van elk dogma is. {{Aut|Harstad, Johan

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘vastomlijnd geloofsartikel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1804

Vertalingen

Engelsdogma
Fransdogme
DuitsDogma
Spaansdogma
Italiaansdogma
Portugeesdogma
Japans教義
Poolsdogmat
Deensdogme