dok

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. muziekinstrument (muziekinstrument) onderdeel van een klavecimbelmechaniek waarmee een snaar in trilling wordt gebracht door deze met een plectrum (kiel) opzij te duwen en dan te laten schieten
    De plectra aan de dokken maakte men vroeger van ravenpennen.
  2. scheepvaart, waterbeheer (scheepvaart), (waterbeheer) voor buitenwater afsluitbaar gedeelte van een scheepswerf of een drijvende (ponton-)constructie waarmee, door het in- of uitlaten van water, schepen voor inspectie, onderhoud en reparatie kunnen worden drooggezet
    Het schip ligt nu in dok voor reparatie.
  3. scheepvaart, waterbeheer (scheepvaart), (waterbeheer) een haven in een havencomplex waar schepen kunnen worden afgemeerd, wachten, geladen of gelost
    Achter de zeesluis van Antwerpen hebben de dokken geen last van getijverschil.

Etymologie

* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘inrichting voor scheepsreparaties’ voor het eerst aangetroffen in 1525

Vertalingen

Engelsharpsichord jack, dry dock, wet dock
Franssautereau, forme de radoub, cale sèche
DuitsSpringer, Dock
Spaansdique, dársena