domoor
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdɔm.or/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- domkop, dommerik, sufferd, iemand die niet intelligent isOei! wat ben ik toch een domoor! ik heb nu alweer mijn sleutels vergeten.
Etymologie
* Oorspronkelijk bedoeld als een vriendelijke vorm van "domkop". In deze betekenis voor ‘dom mens’ voor het eerst aangetroffen in 1757.
Vertalingen
Engelsdummy, dunce
Fransandouille
DuitsDummerchen, Dummchen
Spaansbobo
Russischдурак
Zweedsdumming
Deensdummerik
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek