domper
mannelijk (de)/ˈdɔmpər/
Wat is de betekenis van domper?
domper betekent: (figuurlijk) teleurstelling, iets dat de vreugde uitdooft
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) teleurstelling, iets dat de vreugde uitdooft
- voorwerp om iets mee uit te doven
- (politiek) (figuurlijk) (verouderd) iemand met reactionaire opvattingen, iemand die de vooruitgang wil tegenhouden
Voorbeelden van "domper" in een zin
- De zilveren medaille op de 200 meter hardlopen tijdens de Olympische Spelen was een domper op het geluk van Daphne Schippers.
- (…) de tegels aan de wanden zijn wel zeer schoon; de koperen kandelaars met domper en snuitschaar doen wel sentimenteel aan; maar... in welk deftig burgershuis kan men ze niet als ‘antiek’ aantreffen?
- {{ouds
- Toen raakte de socialist Schaper, een gewezen schildersknecht uit Groningen, die sinds hij in 1899 te Veendam was gekozen, een natuurlijk talent voor het parlementaire werk had geopenbaard, buiten zich zelf van woede. 'Smerige bende' zo moet hij volgens de perstribune uitgeroepen hebben. "Dompers ben jelui". In de Handelingen werd het scheldwoord iets anders gedrukt nI. 'smerige ellendige troep'.
Etymologie
**[2] in de betekenis van ‘kapje om vlam te doven’ voor het eerst aangetroffen in 1691
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek