domper

mannelijk (de)/ˈdɔmpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk (figuurlijk) teleurstelling, iets dat de vreugde uitdooft
    De zilveren medaille op de 200 meter hardlopen tijdens de Olympische Spelen was een domper op het geluk van Daphne Schippers.
  2. voorwerp om iets mee uit te doven
    (…) de tegels aan de wanden zijn wel zeer schoon; de koperen kandelaars met domper en snuitschaar doen wel sentimenteel aan; maar... in welk deftig burgershuis kan men ze niet als ‘antiek’ aantreffen?
  3. politiek, figuurlijk, verouderd (politiek) (figuurlijk) (verouderd) iemand met reactionaire opvattingen, iemand die de vooruitgang wil tegenhouden
    {{ouds
    Toen raakte de socialist Schaper, een gewezen schildersknecht uit Groningen, die sinds hij in 1899 te Veendam was gekozen, een natuurlijk talent voor het parlementaire werk had geopenbaard, buiten zich zelf van woede. 'Smerige bende' zo moet hij volgens de perstribune uitgeroepen hebben. "Dompers ben jelui". In de Handelingen werd het scheldwoord iets anders gedrukt nI. 'smerige ellendige troep'.

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘kapje om vlam te doven’ voor het eerst aangetroffen in 1691