donderdag
mannelijk (de)/ˈdɔndərˌdɑx/
Wat is de betekenis van donderdag?
donderdag betekent: (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na woensdag en voor vrijdag komt
Voorbeelden van "donderdag" in een zin
- Op donderdag gaan we altijd naar onze tante.
- En ondanks diverse tegenslagen, vertragingen en dreigende kostenoverschrijdingen staat Kepler nu dan toch klaar om de ruimte in geschoten te worden met een Delta II-raket, in de nacht van woensdag 5 op donderdag 6 maart.
- De Touretappe van donderdag eindigt op een gevreesde Vogezentop. Die onvervalste muur zal de eerste schifting in de Tour doorvoeren.
Etymologie
*van Middelnederlands "donderdach" / "donresdach", in de betekenis van ‘vijfde dag van de week’ aangetroffen vanaf 1257 (eponiem): , een leenvertaling van Latijn "dies Iovis" "dag van Jupiter" die met Wodan gelijkgesteld werd
Vertalingen
EngelsThursday
Fransjeudi
DuitsDonnerstag
Spaansjueves
Italiaansgiovedì
Portugeesquinta-feira
Russischчетверг
Chinees星期四
Japans木曜日
Koreaans목요일
Arabischالخميس
Turksperşembe
Poolsczwartek
Zweedstorsdag
Deenstorsdag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek