Donderen

/ˈdɔndərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. onpr, meteorologie (onpr), (meteorologie) het weerklinken van luid gerommel ten gevolge van bliksemontlading
    Het donderde in de verte.
  2. inerg (inerg) op luide en barse toon een bevel geven of zijn ongenoegen uiten
    "Koppen dicht!" donderde hij.
  3. erga, informeel (erga) (informeel) (met veel lawaai) ergens af-/uitvallen
    Ze struikelde en donderde met veel gedruis de trap af.

Etymologie

*afgeleid van donder

Uitdrukkingen

  • het in Keulen horen donderen

Vertalingen

Engelsthunder, thunder, thunder away
Franstonner, dégringoler
Duitsdonnern, donnern, wettern
Spaansretumbar, tronar