donor

mannelijk (de)/'donɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
    Veel Nederlanders zijn bloeddonor.
  2. natuurkunde (natuurkunde) een atoom dat een elektron afstaat (-> halfgeleiders)

Etymologie

* van doneren

Vertalingen

Engelsdonor
Fransdonneur, donneuse
DuitsOrganspender, Spender
Spaansdonante
Portugeesdoador, doadora