receptor

mannelijk (de)/rəˈsɛptɔr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) onderdeel dat signalen opvangt
  2. biologie, medisch (biologie), (medisch) lichaamsdeel dat gevoelig is voor prikkels
  3. biochemie, medisch (biochemie), (medisch) eiwit in het celmembraan, het cytoplasma of de celkern, waaraan een specifiek molecuul kan binden

Etymologie

*afgeleid van het Latijnse recipere (ontvangen)

Vertalingen

Engelsreceptor
Fransrécepteur
DuitsRezeptor
Spaansreceptor, receptor celular