doophek

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bij katholieken: hek dat de ruimte voor de doop afscheidt van de rest van de kerk
  2. bij protestanten: hek dat een ruimte om de preekstoel omsluit
    De kansel, het doophek en de herenbanken werden na de reformatie aangebracht, toen de kerk in protestante handen kwam.