doopsel

onzijdig (het)/'dopsəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sacrament waarbij door besprenkeling of onderdompeling iemand tot de christelijk kerk wordt toegelaten en zonden afgewassen worden
    Er werden deze week veertien doopsels uitgevoerd.

Etymologie

* van dopen

Vertalingen

Engelsbaptism
Fransbaptême
DuitsTaufe
Spaansbautismo
Italiaansbattesimo
Portugeesbaptismo
Turksvaftiz
Poolschrzest
Zweedsdop
Deensdåb