doorzagen

/ˈdorzaɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ov (ov) met een zaag in twee stukken verdelen.
    Het viel niet mee de dikke boom door te zagen.
  2. inerg (inerg) eindeloos doorpraten
    En hij zaagde maar door, het was oervervelend.
  3. ov (ov) eindeloos uitvragen
    Hij werd in dat gesprek flink doorgezaagd.

Etymologie

*doorzágen: vervoegde vorm van doorzíén