dop

mannelijk (de)/dɔp/

Wat is de betekenis van dop?

dop betekent: een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
  2. kapje ter afsluiting van iets
  3. informeel (informeel) oogleden
  4. biologie (biologie) eierschaal
  5. gereedschap (gereedschap) onderdeel van een dopsleutel dat rond een moer of boutkop sluit

Voorbeelden van "dop" in een zin

  • Om een walnoot te eten, moet je eerst de dop kraken.
  • Doe even de dop op die fles!
  • Maar Quick pakte de gin van een tafel in de hoek, draaide de dop los en schonk twee glazen in.
  • De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.
  • Kijk uit je doppen!

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands doppe ‘dop, schil, pot; punt, knop, tol’, ontwikkeld uit West-Germaans *duppa- ‘wig, pin’, misschien uit vroeger *dubna-, misschien afleiding bij Indo-Europees *dʰubʰ- ‘wig, slaan’. Evenzo Nederduits Dopp ‘eierdop; napje; vingertop, deksel; tol’ en Duits Topf ‘pot, pan’.

Vertalingen

Engelscap, socket
Fransdouille
DuitsNuss
Spaanstapa, tapón