dop
mannelijk (de)/dɔp/
Wat is de betekenis van dop?
dop betekent: een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
- kapje ter afsluiting van iets
- (informeel) oogleden
- (biologie) eierschaal
- (gereedschap) onderdeel van een dopsleutel dat rond een moer of boutkop sluit
Voorbeelden van "dop" in een zin
- Om een walnoot te eten, moet je eerst de dop kraken.
- Doe even de dop op die fles!
- Maar Quick pakte de gin van een tafel in de hoek, draaide de dop los en schonk twee glazen in.
- De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.
- Kijk uit je doppen!
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands doppe ‘dop, schil, pot; punt, knop, tol’, ontwikkeld uit West-Germaans *duppa- ‘wig, pin’, misschien uit vroeger *dubna-, misschien afleiding bij Indo-Europees *dʰubʰ- ‘wig, slaan’. Evenzo Nederduits Dopp ‘eierdop; napje; vingertop, deksel; tol’ en Duits Topf ‘pot, pan’.
Vertalingen
Engelscap, socket
Fransdouille
DuitsNuss
Spaanstapa, tapón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek