dorpsbevolking

vrouwelijk (de)/ˈdɔrᵊpsbəˌvɔlkɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geheel van de inwoners van een kleine permanente nederzetting
    Allereerst de gemoedelijkheid; het festival grenst pal aan een woonwijk en de hele dorpsbevolking helpt mee om er een geslaagde dag van de maken. Inwoners van Wateringen mopperen voor één keer niet over verkeersdrukte, geluidshinder en andere ongemakken.
  2. (verzamelterm) inwoners van kleine permanente nederzettingen
    De spullen die in China voor weinig koopkrachtige boeren zijn bedoeld, doen het ook goed bij de dorpsbevolking in de binnenlanden van Suriname.