dot
mannelijk/vrouwelijk (de)/dɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een pluk vezelig, wollig of donzig materiaal"Mag ik die dot wol eens zien?".
- (meestal verkleinwoord) iets kleins en liefsWat een dotje!
Etymologie
* In de betekenis van ‘pluk’ voor het eerst aangetroffen in 1554
Vertalingen
Engelstuft, knot, darling
Franstouffe, amour, chou
DuitsDutt, Knäuel, Tupfer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek