doublet
onzijdig (het)/du'blɛt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dubbel exemplaar van iets
- (taalkunde) twee of meer woorden in dezelfde taal die etymologisch dezelfde herkomst hebben, maar zich verschillend hebben ontwikkeldDe Nederlandse woorden "fris" en "vers" zijn een doublet.
- (natuurkunde) tweevoudige spectraallijn, of tweevoudige energietoestand van een atoom
- (jachttaal) het gelijktijdig schieten van twee stuks wild met twee lopen van hetzelfde geweer
- (visserij) het vangen van twee vissen met hetzelfde aas
- (spel) worp waarbij alle dobbelstenen dezelfde ogen hebben
- (bridge) extra bod voor meer punten
Etymologie
* Leenwoord uit Frans doublet ‘doublure van een schild’, verkleiningsvorm van double ‘dubbel’.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek