doublet

onzijdig (het)/du'blɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dubbel exemplaar van iets
  2. taalkunde (taalkunde) twee of meer woorden in dezelfde taal die etymologisch dezelfde herkomst hebben, maar zich verschillend hebben ontwikkeld
    De Nederlandse woorden "fris" en "vers" zijn een doublet.
  3. natuurkunde (natuurkunde) tweevoudige spectraallijn, of tweevoudige energietoestand van een atoom
  4. jachttaal (jachttaal) het gelijktijdig schieten van twee stuks wild met twee lopen van hetzelfde geweer
  5. visserij (visserij) het vangen van twee vissen met hetzelfde aas
  6. spel (spel) worp waarbij alle dobbelstenen dezelfde ogen hebben
  7. bridge (bridge) extra bod voor meer punten

Etymologie

* Leenwoord uit Frans doublet ‘doublure van een schild’, verkleiningsvorm van double ‘dubbel’.