douceur
mannelijk/vrouwelijk (de)/du'sør/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- klein financieel of niet financieel geschenk
- extraatje, fooi, tipLEUK IS ANDERS, maar in deze tijd van versoberingen is de middelloonregeling kennelijk onvermijdelijk. Ze biedt voordelen, bijvoorbeeld de mogelijkheid om op latere leeftijd parttime te gaan werken zonder al te grote kommernis over het aantasten hierdoor van het toekomstige pensioen. Het gaat bovendien de hinderlijke gewoonte tegen om mensen aan het einde van hun carrière, als deze allang geen stijgende lijn meer vertoont, ineens loonsverhogingen te geven als douceur voor het aanstaande leeftijdsontslag. NRC 7 juli 2003
- steekpenningen, gunstgeschenk
- vleiende opmerking
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘fooi’ voor het eerst aangetroffen in 1681
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek