draagplicht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdraxplɪxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. regel die in bepaalde situaties specifieke beschermende kleding voorschrijft; met name het dragen van een helm als men op gemotoriseerde tweewielers rijdt of het verplicht dragen van een mondkapje tijdens een epidemie
  2. regel die voorschrijft dat je een identificatiebewijs bij je moet hebben
  3. afgesproken aandeel in een gezamenlijke schuld
    Zou, volgens de hoofdregel, sprake zijn van een aansprakelijkheid voor gelijke delen, dan is de draagplicht eenvoudig: ieder draagt de schuld waarvoor hij zelf aansprakelijk is.