draagplicht
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdraxplɪxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- regel die in bepaalde situaties specifieke beschermende kleding voorschrijft; met name het dragen van een helm als men op gemotoriseerde tweewielers rijdt of het verplicht dragen van een mondkapje tijdens een epidemie
- regel die voorschrijft dat je een identificatiebewijs bij je moet hebben
- afgesproken aandeel in een gezamenlijke schuldZou, volgens de hoofdregel, sprake zijn van een aansprakelijkheid voor gelijke delen, dan is de draagplicht eenvoudig: ieder draagt de schuld waarvoor hij zelf aansprakelijk is.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek