draaien
/ˈdrajə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) om een middelpunt bewegenDe auto moest eerst draaien om de garage in te kunnen rijden.Martijn liet de tol hard draaien.De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.
- (erga) lopen [5], naar behoren werken of functioneren, voortgang makenHet bedrijf draait niet meer goed.
- (ov), (techniek) manier van verspanen waarbij het te bewerken product op de draaibank ligt en ronddraaitBoren, frezen, draaien en kotteren zijn allemaal vormen van verspaningstechniek.
- (onpr) (meteorologie) (v.d. wind) plotseling van richting veranderenDoordat de wind draaide, ontkwam het dorp aan de bosbrand.
- (erga), (pejoratief) naar allerlei uitvluchten zoeken om maar niet de waarheid te hoeven vertellenHou nu op met draaien en vertel gewoon hoe het echt zit!
Etymologie
* In de betekenis van ‘keren, wenden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- om de hete brij draaien
- rond de pot draaien
Vertalingen
Engelsturn, spin
Franstourner
Duitsdrehen
Spaansgirar
Italiaansgirare
Portugeesgirar
Russischвращать
Chinees轉動, 转动
Japans曲る
Koreaans돌다
Poolskręcić
Zweedsvända
Deensvende
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek