draaien

/ˈdrajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) om een middelpunt bewegen
    De auto moest eerst draaien om de garage in te kunnen rijden.
    Martijn liet de tol hard draaien.
    De fles was gelukkig groot genoeg en uiteindelijk kon ik met een zucht van verlichting de dop erop draaien.
  2. erga (erga) lopen [5], naar behoren werken of functioneren, voortgang maken
    Het bedrijf draait niet meer goed.
  3. ov, techniek (ov), (techniek) manier van verspanen waarbij het te bewerken product op de draaibank ligt en ronddraait
    Boren, frezen, draaien en kotteren zijn allemaal vormen van verspaningstechniek.
  4. onpr, meteorologie (onpr) (meteorologie) (v.d. wind) plotseling van richting veranderen
    Doordat de wind draaide, ontkwam het dorp aan de bosbrand.
  5. erga, pejoratief (erga), (pejoratief) naar allerlei uitvluchten zoeken om maar niet de waarheid te hoeven vertellen
    Hou nu op met draaien en vertel gewoon hoe het echt zit!

Etymologie

* In de betekenis van ‘keren, wenden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • om de hete brij draaien
  • rond de pot draaien

Vertalingen

Engelsturn, spin
Franstourner
Duitsdrehen
Spaansgirar
Italiaansgirare
Portugeesgirar
Russischвращать
Chinees轉動, 转动
Japans曲る
Koreaans돌다
Poolskręcić
Zweedsvända
Deensvende