draaikruk
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈdrajkrʏk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (meubel) eenvoudig zitmeubel zonder leuning dat kan draaien om een verticale asIk zat al enige tijd in de halfschaduw van de cabine, de draaikruk op de goede hoogte, en maakte geen haast om munten in de machine te gooien.De pianist rees enkele centimeters van zijn draaikruk omhoog en loerde al spelend over zijn muziek naar de uitzonderlijke verschijning van Gerarda, die zijn taak zo nu en dan zou overnemen.
- handvat aan een raam waarmee je het door ronddraaien kan openen of afsluitenHet kozijn heeft een nette en afgewerkte uitstraling, omdat alle beslagonderdelen verdekt zijn gemonteerd. Het is mogelijk om de draaikruk te beveiligen met een slot, om de kans op een inbraak kleiner te maken.
- handgreep aan iets dat rond kan draaienMijne hand omsloot vaster dan ooit de koperen draaikruk... En toen bedacht ik me. (…) Men kon meer doen met een machinegeweer.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek