Draak

mannelijk (de)/drak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mythologie (mythologie) afschrikwekkend fabeldier, voorgesteld als een gevleugeld, vuurspuwend reptielachtig wezen met spitse tong en lange staart
    Dit oude verhaal vertelt over een draak die een land bedreigt.[http://janwillemen.heemkundedongen.nl/oeuvrelijst/jorisendedraak.html St. Joris en de draak], janwillemen.heemkundedongen.nl
  2. scheepvaart, sport (scheepvaart), (sport) open zeiljacht, gebouwd volgens de specificaties van de eenheidsklasse
    Zij zeilen nog altijd met hun draak.
  3. vlinders (vlinders) bepaald soort nachtvlinder, , uit de familie van de tandvlinders (Notodontidae)

Etymologie

*via Middelnederlands "drake" en Latijn "draco" van "δράκων" (drákoon), in de betekenis van ‘fabelachtig monster’ aangetroffen vanaf 1240

Uitdrukkingen

  • De draak heeft zijn eieren gelegd.De ellende is begonnen.
  • Met iemand of iets de draak stekeniemand of iets bespotten
  • Een draak van [XXX]Gezegd van iets dat vervelend, overdreven, kitscherig e.d. of anderszins mislukt is (bijv. een boek, film, toneelstuk, gedicht etc.)

Vertalingen

Engelsdragon, dragon
Fransdragon, dragon
DuitsDrache, Drachen
Spaansdragón
Italiaansdrago
Portugeesdragão
Russischдракон
Turksejderha
Zweedsdrake
Deensdrage