drie

mannelijk/vrouwelijk (de)/dri/

Betekenis

telwoord
  1. "3", het getal tussen twee en vier
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De totale kosten bedragen drie euro en zevenendertig cent.
    Een man die afgelopen weekend drie kinderen uit de zee bij het Noord-Hollandse Julianadorp wilde redden, raakte zelf vermist.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave drie is "42".
zelfstandig naamwoord
  1. het cijfer 3
    De drie op zijn shirt was nauwelijks meer te zien.
  2. dat wat in een (rang)ordening met 3 is aangeduid
    Het is weer de drie die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Hij had veel onvoldoendes, drie vijven en een drie.
  3. groep van 3 eenheden
    Die drie zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.
    Zullen we met ons drietjes op reis gaan?

Etymologie

* (erfwoord) via Middelnederlands "drie" van Oudnederlands "thrī", in de betekenis van ‘telwoord’ voor het eerst aangetroffen in 820

Uitdrukkingen

  • Drie keer niksHelemaal waardeloos
  • Een meisje van drie kruisjesEen vrouw van 30 jaar
  • Het iemand in drieën geven iets te doenVerwachten (eigenlijk:wedden) dat iemand iets in drie pogingen nog niet gedaan krijgt
  • Het iemand in drieën zetten iets te doenVerwachten (eigenlijk:wedden) dat iemand iets in drie pogingen nog niet gedaan krijgt
  • Niet tot drie kunnen tellenErg dom zijn
  • Op drie haartjes staanScheef gedragen worden (van een hoofddeksel)
  • Wel wis en drie!± potverdikkie, potverdorie, warempel
  • Alle goede dingen bestaan in drieën/uit drieGezegd als er na twee vergelijkbare gebeurtenissen zich vrij onverwacht nog een derde voordoet

Vertalingen

Engelsthree, three
Franstrois, trois
Duitsdrei, Drei
Spaanstres, número
Italiaanstre
Portugeestrês
Russischтри
Chinees
Japans三, さん, み
Koreaans셋, 세, 석
Arabischثلاثة
Turksüç, üç
Poolstrzy, trójka
Zweedstre, trea
Deenstre