druif
mannelijk/vrouwelijk (de)/drœyf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaalde plantensoort
- (fruit) besvrucht van de wijnstok waar wijn van gemaakt kan worden
- (pejoratief), (informeel) suf, dom, warrig persoonTsjonge, wat ben jij een druif zeg!
- (militair) knop achteraan op een kanon
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "druve" ‘druiventros’ van Oudnederlands "thruvo", in de betekenis van ‘druiventros’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100; de betekenis ‘vrucht van de wijnstok’ verdrong Middelnederlands "wijnbere" (zie wijnbes)Dit woord heeft zich ontwikkeld uit West-Germaans *þrūban- ‘tros, klomp, massa’, misschien verwant met Hittitisch tarupp- ‘verzamelen’; cognaat met "Druuv" "druiventros", "Traube" "druif, druiventros" en "drúf" "druif"
Uitdrukkingen
- De druiven zijn zuur/hangen te hoog — Van iets dat men niet kan krijgen, zeggen dat men het ook niet wil hebben (om te verdoezelen dat men in werkelijkheid onmachtig is om het te krijgen)Deze uitdrukking is te herleiden tot het verhaal "De vos en de druiven" (uit de {{w|nl|Fabels van Aesopus|Fabels van Aesopus
- Wie in een boomgaard werkt, mag er van de druiven eten — Extra voordeel halen uit werk
Vertalingen
Engelsgrape
Fransraisin
DuitsTraube
Spaansuva
Italiaansuva
Portugeesuva
Russischвиногра́дина
Chinees葡萄
Japansブドウ
Koreaans포도
Arabischعِنَب
Turksüzüm
Poolswinogrono
Zweedsdruva
Deensvindrue
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek