wijnstok
mannelijk (de)/ˈʋɛi̯n.stɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) klimplant uit de wijnstokfamilie met handvormige bladeren en geel-groenachtige bloemen, die de druif als vrucht voortbrengtOp een korte wandeling van Circus Maximus vind je de Aventijn, één van de zeven heuvels van Rome. Voor een aangename verrassing gluur je bovenaan de heuvel door het bescheiden koperen sleutelgat van de deuren van de Priorito dei Cavalieri di Malta (priorij van de orde der Maltezer ridders). Je krijgt een perfect plaatje van de Sint-Pietersbasiliek te zien, ingekaderd door een boog van wijnstokken.de Telegraaf 02 feb. 2016Druiven en veel - héél veel - hazelnootbomen. We zitten in het hart van de Piemonte, het gebied tussen de zeer toeristische Bloemenrivièra en Zwitserland. De eindeloze rijen wijnstokken en hazelnootbomen verraden de producten van deze streek: wijn en hazelnootpasta, oftewel Nutella. Vooral de wijn is bekend. Alleen de wijnhuizen in het gebied rond het plaatsje Barolo mogen hun wijnen van het stempel Barolo voorzien.de Telegraaf ARNO REEKERS 01 okt. 2015
Vertalingen
Engelsgrapevine
Fransvigne
DuitsWeinrebe
Spaansvid
Italiaansvite
Portugeesvideira, parreira
Poolswinorośl
Zweedsvinranka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek