druivelaar

mannelijk (de)/ˈdrœyvəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) klimplant die de druif als vrucht voortbrengt
  2. populaire Vlaamse scheurkalender sinds 1915 met dagelijks de heilige van de dag, de efemeriden, een mopje of een andere wetenswaardigheid

Etymologie

**[2] vanwege het gebruikte beeldmerk [http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/druivelaar Het Vlaams woordenboek]