dubbeldekker
mannelijk (de)/ˈdʏbəlˌdɛkər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (luchtvaart) een vliegtuig met twee evenwijdige vleugels boven elkaarTussen de beide wereldoorlogen waren dubbeldekkers erg in zwang.
- (transport) bus of trein met twee niveaus waarin passagiers vervoerd kunnen wordenIn Londen rijden veel dubbeldekkers.De NS gebruikt steeds meer dubbeldekkers.
Etymologie
*Samenstellende afleiding van dubbel en dek
Vertalingen
Engelsbiplane
Fransbiplan
DuitsDoppeldecker
Spaansbiplano
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek