duimen

/ˈdœymə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. voortdurend herhaald handgebaar bedoeld om geluk te brengen (zie Duimen op Wikipedia)
    Zul je duimen dat ik win?
  2. figuurlijk (figuurlijk) hopen
    En nu maar duimen dat ik geslaagd ben.
  3. duimendraaien
    Hij zat tevreden met zijn handen op de buik te duimen.
  4. figuurlijk (figuurlijk) nietsdoen
    Heb je nu weer de hele middag zitten duimen?
  5. handgebaar van een lifter om automobilisten te laten weten dat hij wil meerijden
    (...) ik vond niet dat ik tijd had om te stoppen en een duimende jongeman tot aan zijn bestemming te brengen.
  6. duimzuigen
    De zuigeling viel al duimend in slaap.
  7. (Bargoens): vals spelen
  8. verouderd (verouderd) met de duim bewerken

Etymologie

thumb|6: duimzuigen