duo

onzijdig (het)/ˈdywo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. twee personen die samen optreden of iets verrichten
    Daarmee lijken ze enigszins op Jip en Janneke, het duo dat Annie M.G. Schmidt creëerde, (…)
  2. muziek (muziek) muziekgroep bestaande uit twee mensen
    Het kleinst mogelijke ensemble is natuurlijk het duo, zeg: viool en piano of fluit en harp.
  3. muziek (muziek) muziekstuk bedoeld om door twee mensen te worden uitgevoerd
    Het Vioolconcert van de vergeten Karlowicz is grauwer dan de groezeligste bladzijden van ‘het repertoire’, is onbeduidender dan een duo van Mazas, is onbenulliger bijna dan het Vioolconcert van Witte396 of Manasse van Hegar.
zelfstandig naamwoord
  1. zitplaats voor een bijrijder op een motorfiets
    Met Willy is het weer in orde, behoeft geen babykleertjes te maken, heeft met een kennis een ritje op de duo van een motor gemaakt.
  2. toegevoegde zitplaats achterop een vervoermiddel dat gewoonlijk voor één persoon bestemd is
    Van Arosa tot voorbij Litzirüti gesleed. (…) Veel vaart en met Ol op de duo moeilijk.

Etymologie

*[B] (verkorting) van duozitting

Vertalingen

Engelspair, pillion
Fransbinôme, duo
DuitsReitkissen
Spaanspar, pareja