duo
onzijdig (het)/ˈdywo/
Wat is de betekenis van duo?
duo betekent: twee personen die samen optreden of iets verrichten
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- twee personen die samen optreden of iets verrichten
- (muziek) muziekgroep bestaande uit twee mensen
- (muziek) muziekstuk bedoeld om door twee mensen te worden uitgevoerd
zelfstandig naamwoord
- zitplaats voor een bijrijder op een motorfiets
- toegevoegde zitplaats achterop een vervoermiddel dat gewoonlijk voor één persoon bestemd is
Voorbeelden van "duo" in een zin
- Daarmee lijken ze enigszins op Jip en Janneke, het duo dat Annie M.G. Schmidt creëerde, (…)
- Het kleinst mogelijke ensemble is natuurlijk het duo, zeg: viool en piano of fluit en harp.
- Het Vioolconcert van de vergeten Karlowicz is grauwer dan de groezeligste bladzijden van ‘het repertoire’, is onbeduidender dan een duo van Mazas, is onbenulliger bijna dan het Vioolconcert van Witte396 of Manasse van Hegar.
- Met Willy is het weer in orde, behoeft geen babykleertjes te maken, heeft met een kennis een ritje op de duo van een motor gemaakt.
- Van Arosa tot voorbij Litzirüti gesleed. (…) Veel vaart en met Ol op de duo moeilijk.
Etymologie
*[B] (verkorting) van duozitting
Vertalingen
Engelspair, pillion
Fransbinôme, duo
DuitsReitkissen
Spaanspar, pareja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek