durven

/ˈdʏrvə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) (vaak ~ te) de moed hebben om iets gewaagds te doen
    Ik durf dat niet.
    Durf je daar echt aan te beginnen?
    Daarbij werd niet gedurfd deze vraag goed te beantwoorden.
  2. inerg (inerg) moed tonen
    Je durft wel, zeg!
  3. inerg (inerg), Zuidelijk Nederlands een bepaalde, veelal onwenselijke eigenschap vertonen
    Dat durft weleens te gebeuren.
    Hij durft dat weleens te vergeten.
  4. De vorm "dorst" is in het noorden goeddeels verdrongen door de regelmatig zwakke vorm "durfde".
  5. Het voltooid deelwoord komt weinig voor, meestal wordt het vervangen door de onbepaalde wijs van durven gevolgd door een zelfstandig werkwoord.
    Ik heb niet durven kijken.
  6. Lijdende vormen zijn weinig gebruikelijk.

Etymologie

:: θαρσειν ‘dapper zijn’.

Uitdrukkingen

  • Ergens de vingers voor durven opstekenergens zeker van weten dat het een eerlijke zaak is

Vertalingen

Engelsdare
Fransoser
Duitswagen, trauen
Spaansosar, atreverse
Italiaansosare
Zweedsvåga