duw

mannelijk (de)/dyu̯/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zet, een stoot
    Hij gaf de auto een harde duw, zodat die weer op de weg kwam.
    Tijdens het voetballen kreeg ik een harde duw van mijn tegenstander.

Uitdrukkingen

  • iemand een duw geveniemand duwen

Vertalingen

Engelspush, shove
Franspoussée, bourrade
DuitsSchubs, Stoß
Spaansempujón