duw
mannelijk (de)/dyu̯/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een zet, een stootHij gaf de auto een harde duw, zodat die weer op de weg kwam.Tijdens het voetballen kreeg ik een harde duw van mijn tegenstander.
Uitdrukkingen
- iemand een duw geven — iemand duwen
Vertalingen
Engelspush, shove
Franspoussée, bourrade
DuitsSchubs, Stoß
Spaansempujón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek