dwazerik

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die dwaas is
    ‘Misschien ben ik een naïeve dwazerik, maar ik denk dat we er tegen de volgende verkiezingen in zullen slagen om de kiezers goed uit te leggen wat we allemaal hebben gedaan om de vluchtelingencrisis aan te pakken, om de veiligheid te verhogen, om de sociaal-economische problemen op te lossen enzovoort.’ De Standaard 31/08/2016 om 15:57 door poj [http://www.standaard.be/cnt/dmf20160831_02447405 ‘Mijn partij doet er alles aan om zoveel mogelijk Vlaams Belang-kiezers aan onze kant te krijgen’]
    En toch desondanks dat alles had hij nog de moed en vond hij de nog de kracht om mij en zijn partij ter hulp te schieten. En ik, ik dwazerik die al bijna dertig jaar met hem optrok, hem dertig jaar geleden vergezeld had naar de hoofdstad, besefte pas op dat ogenblik, toen ik op mijn beurt het spreekgestoelte beklom en het woord nam, tot welke opoffering, tot welke overgave die man in staat was. Ik stokte gewoon. De Standaard 07 NOVEMBER 2011 [http://www.standaard.be/cnt/t23ht0nj Tot ziens, grand seigneur]
  2. zorgeloos persoon

Etymologie

* afleiding van dwaas