dwaas

mannelijk (de)/dwas/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) iemand die onverstandig denkt en/of handelt
    De dwaas maakte veel lawaai op de markt
    Isaac was al eerder in dit huis geweest, hij had er als jongen als een dwaas in rondgerend, maar Teresa was toen nog te jong geweest en ze had dus niet van het bestaan van deze zolder geweten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zonder verstand’ voor het eerst aangetroffen in 1287

Vertalingen

Engelsfool, idiot, moron
Fransfou, idiot, crétin
DuitsTor, töricht, närrisch
Spaanstonto, bobo, tonto
Russischдурак, идиот, глупый