oelewapper

mannelijk (de)/ˈuləˌwɑpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) lompe, onhandige of waardeloze man
    "Ik noemde Erland Galjaard een oelewapper toen ik het nieuws te horen kreeg", vertelt Stacey in RTL Boulevard. "Natuurlijk vind het erg jammer dat ik weg moet bij X Factor, maar sommige dingen gaan nou eenmaal voorbij. En er zijn meer jurydesks in Nederland", grapt Stacey.de Telegraaf T. Evers 7 februari 2013
    De Radio 538-dj's die zangeres Maan (20) recent aan het huilen maakten door haar in de studio te confronteren met een naakte man, hadden dit volgens experts nooit mogen doen. Psycholoog Bram Bakker: "In deze #Metoo-tijd slaan de 538- oelewappers met dit 'geintje'de plank volledig mis."Tubantia Tom Tates 4 december 2017

Etymologie

*Herkomst enigszins onzeker, maar een ontlening aan Fries "ûlewapper" “grote nachtvlinder”, “sul, sukkel” , is de meest aannemelijke, aangezien "ûlewapper" een transparante samenstelling én een treffende beeldspraak in het Fries is, uit "ûle" “uil” en "wabberje", "wapperje" “wapperen”.

Vertalingen

Engelsdimwit, fool, goof
Fransboulet
DuitsTrottel