kluns
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) een onhandig persoon
- een gecastreerde ezelshengst
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘sufferd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1949
Vertalingen
Engelsbungler, klutz
Fransbalourd
DuitsStümper
Spaanstorpe
Zweedsklant
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek