gek
mannelijk (de)/ɣɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een persoon die (tijdelijk) iets raars doetWat een gek!
- een persoon die (regelmatig) vreemde dingen doet, een dwaasIronisch genoeg was de man die geholpen had deze gunstige verandering tot stand te brengen de gek Hermann Gôring, die zelfs vicevoorzitter was in die nazipartij met de stormtroepen waarvan ze zich nu de complete naam niet kon herinneren. De afkorting was in elk geval NSDAP.
- iemand met zeer lage intelligentie
- (bouwkunde) een draaibare kap op een schoorsteen, die verhinderen moet dat de wind in de schoorsteen slaatEen gek is een draaiende kap op een schoorsteen.
Etymologie
*Van het Middelenederduitse geck; etymologisch verwant met gig en giek. In de betekenis van ‘krankzinnig, dwaas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Uitdrukkingen
- Voor de gek houden — Beduvelen, bedonderen, voor het lapje houden
- Eén gek kan meer vragen dan tien/honderd wijzen kunnen beantwoorden — Het is altijd makkelijk om rare of zeer moeilijke vragen aan anderen te stellen, maar niet redelijk om dan daarop ook een zinvol antwoord te eisen
- gek zijn op
- gek zijn van
- Dat is niet gek. — Versteende litotes om uit te drukken dat iets heel erg goed is
- Dat is [helemaal] te gek. — Informele uitdrukking om iets sterk positief te beoordelen, of juist het tegendeel, dus om een zwaar negatief oordeel te geven
- Dat is te gek voor woorden. — Dat gaat het voorstellingsvermogen te boven
- Dat is van de gekke. — Dat is achterlijk, dat slaat nergens op
Vertalingen
Engelsfool, idiot, madman
Fransfou, fou, fou
Duitsmerkwürdig, verrückt, lustig
Spaansloco, alienado, demente
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek