eelt
Wat is de betekenis van eelt?
eelt betekent: (anatomie) harde verdikking van de opperhuid ontstaan als reactie op belasting, vooral op de voeten en de handen
Betekenis
- (anatomie) harde verdikking van de opperhuid ontstaan als reactie op belasting, vooral op de voeten en de handen
Voorbeelden van "eelt" in een zin
- Van al dat zware werk had hij flink wat eelt op zijn handen gekregen.
Betekenis en uitleg van eelt
Eelt is een verdikking van de huid die ontstaat door herhaalde druk of wrijving. Het is een natuurlijke reactie van je lichaam om zich te beschermen tegen beschadiging, vooral op plekken zoals de voeten en handen.
Je komt het woord 'eelt' vaak tegen in de context van voetverzorging, vooral bij mensen die veel staan of lopen. Het kan ook voorkomen bij handen van mensen die regelmatig met gereedschap werken. Eelt is meestal onschadelijk, maar kan soms pijnlijk of ongemakkelijk zijn, vooral als het te dik wordt.
Voorbeelden
- Na een lange dag wandelen had ik behoorlijk wat eelt op mijn voeten verzameld.
- De timmerman had stevige handen met veel eelt, wat hem hielp bij zijn vak.
- Het is belangrijk om eelt goed te verzorgen, zodat het niet gaat scheuren.
Woordoorsprong
Het woord 'eelt' is afgeleid van het Middelnederlandse 'eelt', dat verwant is aan het Oudhoogduitse 'alt' wat 'oud' betekent, en verwijst naar de verharding van de huid door gebruik.
Veelgestelde vragen over eelt
Wat is de betekenis van eelt?
eelt betekent: (anatomie) harde verdikking van de opperhuid ontstaan als reactie op belasting, vooral op de voeten en de handen
Welk woordgeslacht heeft eelt?
eelt is een onzijdig (het).
Wat zijn synoniemen van eelt?
Synoniemen van eelt zijn: weerZelfstandig_naamwoord_4, warZelfstandig_naamwoord_2.
Hoe gebruik je eelt in een zin?
Voorbeeld: “Van al dat zware werk had hij flink wat eelt op zijn handen gekregen.”
Etymologie
*(erfwoord): Afkomstig van Oergermaans *ili, gen. *iliþiz ‘voetzool’,Guus Kroonen (2013), Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden, Brill: 269. bij Indo-Europees *h₁elh₂- ‘gaan’, waartoe ook behoort Oudgrieks eláō ‘(aan)drijven’Vladimir Orel (2003), A Handbook of Germanic Etymology. Leiden, Brill, blz. 83.. Evenals Nederduits Eelt ‘eelt’, Duits dial. Illen ‘buil’Jan de Vries (1971), Nederlands etymologisch woordenboek. Leiden, Brill. en Faeröers il ‘voetzool’.