Een
mannelijk/vrouwelijk (de)/Ιn/
Betekenis
lidwoord
- onbepaald lidwoord dat in het Nederlands wordt gebruikt voor een onbepaald zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.Is dat een merel of een kauwtje?
- ook voor meervouden in uitroepende zinnen die verbazing over een aantal uitdrukkenEn een mensen dat er kwamen kijken!
telwoord
- "1", het kleinste gehele getal, het getal tussen nul en twee
- om een hoeveelheid aan te gevenDe totale kosten bedragen een euro en zevenendertig cent.
- om een plaats in een volgorde aan te gevenHet juiste antwoord op opgave een is "42".
- een geheel vormendDeze drie partijen zijn een geworden.
zelfstandig naamwoord
- dat wat in een (rang)ordening met 1 is aangeduidGezondheid is bij mij altijd een.De een voor zijn proefwerk Nederlands was een straf voor afkijken.
- het cijfer 1Op zijn proefwerk stond een onderstreepte, rode een.Het symbool l voor "liter" wordt gemakkelijk verward met de een.
- enkel iets of iemand (als tegenstelling met meerdere)Zij zat daar in haar eentje en niemand die met haar praatte.OkΓ© geef me er nog maar een, maar dat is dan ook echt het laatste wijntje dat ik drink.
Etymologie
**[B] als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- een gat in de lucht springen
- een kat een kat noemen
- een koekje van eigen deeg krijgen
- een onsje minder
- een pot pakken
- van het hart een steen maken
- voor een appel en een ei
- al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
Vertalingen
Engelsa, an, one
Fransun, une
Duitsein, eins
Spaansun, uno
Italiaansuno
Portugeesum
RussischΠΎΠ΄ΠΈΠ½
ChineesδΈ
ArabischΩΨ§ΨΨ―
Turksbir
Poolsjeden
Zweedsett
Deensen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek