Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

eenhoek

mannelijk (de)/ˈenhuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meetkunde (meetkunde) hypothetische figuur met maar één enkele hoek
    In het hoofdstuk over de ‘Crychspiegeling ende eyghen Crychwoordens Bepalingen’ zegt hij: een zaak met een, twee, drie,... hoeken, wordt door een verstaanbaar woord, eenhoek, tweehoek, enz. genoemd; dat vier, vijf kanten heeft, vierkant, vijfkant.