Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
eenmansband
meervoud/ˈenmɑnsˌbɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- muzikant die gelijktijdig meerdere instrumenten bespeeltMet zijn rijke, volle gitaar, de met de voet bediende tamboerijn en zijn grommende en gierende uithalen is hij een complete eenmansband.
- muzikant die op een geluidsopname de partijen van alle instrumenten inspeeltEen echte wereldpartij kun je de eenmansband die Karl Wallinger vormt, niet echt noemen. (…) Anno 1990 verschijnt eindelijk de tweede elpee waaraan Wallinger drie jaar heeft gewerkt. Geen wonder ook, want hij bespeelt zowat alle instrumenten, en er zijn nummers die hij helemaal in zijn eentje heeft opgenomen.
Etymologie
*, vermoedelijk leenvertaling van "one-man band"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek