eensgezindheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- zonder onenigheid dezelfde denkbeelden en plannen koesterenMet grote eensgezindheid werd het probleem aangepakt.Volgens Biden had president Poetin zich verkeken op de eensgezindheid in de Westerse wereld na de "vooraf bedachte en niet uitgelokte" invasie van Oekraïne. [https://nos.nl/artikel/2419459-biden-in-state-of-the-union-rusland-zal-na-oorlog-in-oekraine-zwakker-zijn nos.nl (2 mrt 2022)]Als het om de plunderingen van de bolsjewieken aan de overkant van de Oostzee ging was de eensgezindheid uiteraard groot. Ieder fatsoenlijk mens had achter Finland gestaan zolang de oorlog duurde.
Etymologie
*afgeleid van eensgezind
Vertalingen
Spaansunanimidad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek