eenwieler

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een fiets met één wiel vooral gebruikt voor acrobatiek
    Eenwieler hockey: Zet een kakker op een clownsfiets en je hebt eenwieler hockey. Behalve dat je op een circusfiets door de zaal zwiert, zijn de regels exact hetzelfde als bij hockey. De twee teams proberen zoveel mogelijk punten te scoren door de bal in de goal van de tegenstanders te slaan. Makkie toch? Nu alleen het fietsen nog onder de knie krijgen.de Telegraaf 04 jan. 2016
    Uit China komt een spectaculaire act waarin veertien artiesten op eenwielers in vliegende vaart door de piste rijden, maar daarbij ook zelfs vijf man hoog op een fiets blijven jongleren.de Telegraaf RICHARD VAN DE CROMMERT 18 dec. 2013

Vertalingen

Engelsunicycle