eerstejaars
meervoud/ˌerstəˈjars/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs) studenten die dat leerjaar met de studie begonnen zijn
- studenten die dat leerjaar lid zijn geworden van de studentenvereniging
Etymologie
*Samenstellende afleidingen beginnend met een rangtelwoord en gevormd met het achtervoegsel '-s' kennen in de regel geen verbogen vorm. [https://web.archive.org/web/20170613200719/http://taaladvies.net/taal/advies/tekst/117 Combinaties met eerstegraads, tweedehands, derderangs (algemeen) op website: http://taaladvies.net]; geraadpleegd 2017-05-31
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek