effect

onzijdig (het)/ɛˈfɛkt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uitwerking, invloed, het gevolg van een handeling of gebeurtenis
    Het is afwachten wat het effect zal zijn.
    De aanpassing bracht niet het gewenste effect.
    Mijn conclusie was dat het kwartje twee kanten op kon vallen, met een negatief of een positief effect als gevolg. Ik hoopte en vertrouwde op het laatste.
  2. economie, financieel (economie), (financieel) een op de kapitaalmarkt verhandeld waardepapier, zoals een obligatie of een aandeel
    De topman kreeg een boete voor het niet melden van handel in effecten van het bedrijf.
  3. afwijking van een bal als gevolg van de draaiing om z'n eigen as
    De aanvaller haalde met effect uit.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘uitwerking’ voor het eerst aangetroffen in 1456

Vertalingen

Engelseffect, equitable security
Franseffet, valeur mobilière, titre financier
DuitsEffekt, Effekten
Spaansefecto, valor mobiliaro
Italiaansvalore mobiliare
Portugeesefeito