ei

onzijdig (het)/ɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
    Ik lust wel een lekker zachtgekookt ei.
    De kippen kakelden in hun nestkast als ze een ei hadden gelegd, en het rook er naar olie en teer.
    Haar fles cannabisolie stond doodleuk tussen de mayo en de eieren in de ijskast.
  2. dierkunde (dierkunde) (vogels) ovaal voorwerp met harde schaal waarin een kuikentje groeit
    De kip zat op een ei te broeden.
  3. dierkunde (dierkunde) min of meer ronde huls met daarin een embryo en voedingsstoffen, zoals die door vrouwelijke dieren wordt gelegd of afgezet
    Een kruisspin maakt een cocon om haar eitjes te beschermen.
  4. plantkunde (plantkunde) haploïde cel in de zaadknop
  5. biologie (biologie) vrouwelijke kiemcel die met de mannelijke samensmelt voor de voortplanting
    Het eitje komt vrij bij de eisprong.
tussenwerpsel
  1. verouderd (verouderd) uitroep van verbazing oei, o!
    "Ei, ei!" riep hij op een' spottenden toon uit, "wildet gij dan, dat het nijmphen, of godinnen waren, of toovergodinnen, zoo als gij ze noemt?"blz 254 Herman of Natuur en Beschaving. H.G. Mokke 1833

Etymologie

* van Middelnederlands "ei" / "ey", in de betekenis van ‘uitroep van verrassing’ aangetroffen vanaf 1566

Uitdrukkingen

  • koek en ei
  • voor een appel en een ei
  • Eieren voor je geld kiezen(noodgedwongen) met minder genoegen nemen dan men eerder wilde
  • Beter een half ei dan een lege dopIets, al is het weinig, is nog steeds beter dan niets.
  • De kip met gouden eieren slachtenEen iets met veel rendement wegdoen
  • Het ei wil wijzer zijn dan de kipHet kind denkt het beter te weten dan de ouder
  • In mei legt ieder vogeltje een eiIn mei doet het weer aan de zomer denken
  • Je kan geen omelet maken zonder eieren te brekenOm iets te bereiken moet je kosten maken of moeite doen

Vertalingen

Engelsegg
Fransœuf
DuitsEi
Spaanshuevo
Italiaansuovo
Portugeesovo
Russischяйцо
Turksyumurta
Poolsjajko
Zweedsägg
Deensæg