ei
onzijdig (het)/ɛi/
Wat is de betekenis van ei?
ei betekent: (voeding) dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
- (dierkunde) (vogels) ovaal voorwerp met harde schaal waarin een kuikentje groeit
- (dierkunde) min of meer ronde huls met daarin een embryo en voedingsstoffen, zoals die door vrouwelijke dieren wordt gelegd of afgezet
- (plantkunde) haploïde cel in de zaadknop
- (biologie) vrouwelijke kiemcel die met de mannelijke samensmelt voor de voortplanting
tussenwerpsel
- (verouderd) uitroep van verbazing oei, o!
Voorbeelden van "ei" in een zin
- Ik lust wel een lekker zachtgekookt ei.
- De kippen kakelden in hun nestkast als ze een ei hadden gelegd, en het rook er naar olie en teer.
- Haar fles cannabisolie stond doodleuk tussen de mayo en de eieren in de ijskast.
- De kip zat op een ei te broeden.
- Een kruisspin maakt een cocon om haar eitjes te beschermen.
Etymologie
* van Middelnederlands "ei" / "ey", in de betekenis van ‘uitroep van verrassing’ aangetroffen vanaf 1566
Uitdrukkingen
- koek en ei
- voor een appel en een ei
- Eieren voor je geld kiezen — (noodgedwongen) met minder genoegen nemen dan men eerder wilde
- Beter een half ei dan een lege dop — Iets, al is het weinig, is nog steeds beter dan niets.
- De kip met gouden eieren slachten — Een iets met veel rendement wegdoen
- Het ei wil wijzer zijn dan de kip — Het kind denkt het beter te weten dan de ouder
- In mei legt ieder vogeltje een ei — In mei doet het weer aan de zomer denken
- Je kan geen omelet maken zonder eieren te breken — Om iets te bereiken moet je kosten maken of moeite doen
Vertalingen
Engelsegg
Fransœuf
DuitsEi
Spaanshuevo
Italiaansuovo
Portugeesovo
Russischяйцо
Turksyumurta
Poolsjajko
Zweedsägg
Deensæg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek