eierkolen

meervoud

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. in de vorm van eieren samengeperst kolengruis
    De vader van Bert Koekkoek was stoker. „Verantwoordelijk voor het dagelijks vullen en bijhouden van een heel grote verwarmingsketel in een verzorgingstehuis. De kolen werden met een vrachtwagen gebracht. Elke dag moesten de ’slakken’ eruit en de nieuwe eierkolen erin.”
    Verstopt in een hoek, afgeschermd door een opslaggebouwtje en twee dranghekken, ligt het bedrijventerrein van het 101 jaar oude familiebedrijf. Daarop pallets met gebundelde briketten, zakken met eierkolen, een reusachtige berg handgrote kolen, half afgegraven en met sneeuw bedekt.

Vertalingen

Engelseggette, ovoid