eindejaarsperiode

vrouwelijk (de)/ˌɛindəˈjarsperiˌjodə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. laatste dagen van het jaar
    Op de luchthaven van Zaventem konden alle vluchten vertrekken, maar wel met vertraging. Ook op het Belgische spoor was de hinder te overzien. Alleen de hogesnelheidstrein naar Frankrijk kon niet zo snel rijden. Wel hinder was er voor de winkeliers: op de eerste koopzondag van de eindejaarsperiode daalde de gezamenlijke omzet met drie procent.
    De zaken draaien intussen zo goed dat Dominique besloten heeft om zijn werk in de haven tijdelijk stop te zetten. ,,Ik dacht dat het na de eindejaarsperiode even wat minder druk zou zijn, maar voor ik wist stond Valentijn al voor de deur en daarna zal het snel Pasen zijn.